In de pers : Belgische werknemer wint fiscaal wereldkampioenschap
België bleef ook vorig jaar kampioen fiscale druk in de OESO, de organisatie van de westerse industrielanden. Voor de alleenstaande loontrekkenden is de loonwig, het verschil tussen wat de werknemer aan zijn bedrijf kost en wat hij uiteindelijk netto ontvangt, vorig jaar zelfs nog wat toegenomen. Zij zagen gemiddeld 56 procent van hun totale loonkosten naar de fiscus en de sociale zekerheid gaan. Dat is 0,2 procentpunt meer dan in 2007.
Daarmee gaan we in tegen de algemene trend die in de richting van een (heel) lichte daling wijst. Ook de landen op de tweede en de derde plaats, Hongarije en Duitsland, zagen hun fiscale druk vorig jaar dalen.
Dat blijkt uit de versie voor 2008 van het jaarlijkse overzicht dat de OESO maakt voor de fiscale druk op lonen. Dat houdt rekening met de inkomstenbelastingen en de sociale bijdragen. De Belgische stijging was vorig jaar vooral het gevolg van een toename van de inkomstenbelastingen. Maar ook de patronale sociale bijdragen gingen licht omhoog.
Voor de Belgische koppels is de situatie iets minder slecht dan voor de alleenstaanden. Voor een koppel met twee kinderen dat leeft van één gemiddeld loon bedroeg de loonwig vorig jaar 40,8 procent. Dat percentage bleef onveranderd ten opzichte van 2007. Ons land blijft daarmee voor deze categorie op de vierde plaats staan in de groep van 30 OESO-lidstaten.
De voorgaande resultaten gaan over gemiddelde inkomens. De hoge marginale aanslagvoeten leiden ertoe dat de Belgische fiscale druk nog een stuk hoger is voor de hogere inkomens. Maar zelfs alleenstaanden met een relatief laag inkomen betalen in ons land veel meer belastingen dan in de meeste andere lidstaten, signaleert de OESO.
Indirecte belasting
De organisatie onderzocht vorig jaar ook voor het eerst of het mogelijk is de indirecte belastingen in het plaatje te betrekken, zodat we een volledig beeld kunnen krijgen van de fiscale druk. Die oefening bleek erg moeilijk, zodat de resultaten ervan voorlopig niet opgenomen worden in het eindresultaat. Duidelijk is wel dat de Belgische positie niet zal verbeteren door de opname van de indirecte belastingen. In een experimenteel onderzoek voor twaalf OESO-lidstaten eindigt ons land ook voor de totale fiscale druk op de eerste plaats voor zes van de acht onderzochte gezinstypes. De grootste pechvogel is een alleenstaande werknemer met een inkomen dat 167 procent van het gemiddelde bedraagt. Als we ook de btw en zo in rekening brengen, houdt die persoon voor elke 100 euro die hij zijn werkgever kost 36 euro over die hij zelf kan besteden.
Bron: De TIJD, 13/5/’09, pagina 9 (Ivan Broeckmeyer)
